De afgelopen tijd verschenen er veel laat gediagnostiseerde hoogopgeleide vrouwen in de media. Mirjam Groen schreef een artikel voor Margriet (‘dat niet iedereen een script bedenkt voor elk gesprek, was voor mij een openbaring’), Astrid Poot gaat hartstikke goed met haar graphic novel, Linda. sprak met zes vrouwen op het spectrum en ook Bianca Toeps komt met een nieuw boek.
Zelf probeer ik ook in de media te komen. Zo deed ik mee aan verschillende medialunches van Vaker In De Media. Je kunt daarbij vragen stellen aan een journalist of redacteur om erachter te komen hoe het allemaal werkt. Tot nu toe was ik niet zo succesvol in mijn pogingen om aandacht voor mijn boek te genereren. Een mailtje aan redactie@… haalt niets uit, weet ik intussen. Als je op wilt vallen moet je de journalisten echt leren kennen, je verdiepen in hun interesses, soms gokken wat hun mailadres is en dan een persoonlijke mail sturen. En vooral niet te lang wachten, anders is je boek alweer oud nieuws. Verder spreken ze elkaar nogal eens tegen. Vooral niet te vaak over hetzelfde mailen, zegt de één. Dan kom je op mijn zwarte lijst. Ik vind het prima als je me een herinnering sturen als je niets terughoort, zegt de ander. Want ik ben reuze druk, en dan zakken mails vanzelf naar beneden. Logisch toch?
Intussen heb ik een spreadsheet met meer dan 600 kranten, tijdschriften, podcasts, recensenten en influencers. Regelmatig blok ik een paar uur in mijn agenda voor boekpromotie. Ik leer over CABABA en bestudeer het doelgroepdenken. Ik bedenk interessante invalshoeken en werk aan mijn pitch. Maar het levert nauwelijks wat op en het kost me wel bakken met energie. Dat komt omdat het eigenlijk ook niet is wat ik wil. Veel journalisten willen echt gebeurde verhalen en zijn tuk op vrouwelijk slachtofferschap. Dat brengt me in een lastig parket, omdat ik er bewust voor gekozen heb om een aantal zaken om te vormen. Mijn bóek zou die aandacht moeten krijgen, niet ikzelf. Daarin heb ik mijn emotionele waarheid al met aandacht geformuleerd. Verder reageer ik vaak secundair, wat in mijn geval betekent dat ik twee dagen na de vraag het antwoord weet.
Bij één van de webinars die ik bijwoonde, vroeg iemand aandacht voor eicellen die ooit aan het ziekenhuis waren afgestaan voor een vruchtbaarheidstraject. Ze wilde dat mensen die eitjes weer mee naar huis konden nemen, om ze te begraven bijvoorbeeld. “Interessant, interessant”, kraaide de journalist. Haar ogen glommen. “Zou je dan iemand mee kunnen nemen bij wie dat mislukt is en die ook helemaal nooit meer kinderen kan krijgen? Dat zou wel het mooiste zijn. O ja, en een deskundige, neem die ook maar mee.” De vrouw wás een deskundige.
Een andere vrouw vertelde hoeveel ze geleerd had van het zorgen voor haar gehandicapte zoon. Het was een waardevolle ervaring, die ze ook kon gebruiken in haar werk. Iemand met veel media-ervaring adviseerde haar om nóóit te praten over zaken die met het moederschap te maken hebben. Als je dat doet word je namelijk niet meer als professional gezien, maar alleen als moeder.
Tegen mijzelf is gezegd dat ik voor mijn pitch beter eerst nog twee anderen zou kunnen optrommelen die iets soortgelijks hebben meegemaakt. Want drietallen werken altijd mooi in een artikel. Hun levensverhaal ook even in de mail zetten, graag. Maar wel kort. Had ik al gezegd dat ze wel bereid moeten zijn om onder hun eigen naam in het blad te gaan staan? En o ja, het is wel handig als je zelf alvast wat feiten meestuurt die je verhaal ondersteunen.
Ik heb besloten om dat hele mediacircus maar even aan me voorbij te laten gaan. En te hopen dat desondanks mijn boek een publiek weet te vinden…












Geef een reactie